Over een dichtbevolkt niemandsland

Het Kaaitheater werkt al 10 jaar nauw samen met Globe Aroma. We coproduceren en presenteren hun sociaal-artistieke producties en sinds enkele jaren nemen we ook een deel van de administratie voor onze rekening. De inval bij Globe Aroma van vorige week vrijdag raakte ons dan ook direct in het hart. Onze steunbetuigingen zijn gemeend, concreet en een teken dat we de samenwerking vooral zullen voortzetten, en zelfs versterken samen met andere organisaties.

Sommigen beweren dat we ons hiermee boven de wet plaatsen en ons verheven voelen boven de gewone burger. Door het onderscheid tussen nieuwkomers met en zonder papieren bewust vaag te houden zouden we zelfs in de kaart spelen van de mensensmokkelaars aan gene zijde van de Middellandse Zee. Bof, het is nogal wat. Misschien is enige nuance hier toch op zijn plaats.

De spanning tussen burgerrechten en universele mensenrechten is oud. Al in de ‘Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’ uit 1789 – toch een basistekst voor de vorming van onze moderne natiestaten – werden de twee apart benoemd. Sinds 1789 is die spanning alleen maar gegroeid. Sommige van onze huidige toppolitici weten maar al te goed dat België één van de eerste landen was waar burgerrechten werden ingetrokken omwille van ‘antinationale daden’. In de ruimte tussen burgerrechten en universele mensenrechten lopen steeds meer mensen rond en de variëteit is groot. De tussenruimte is als een steeds dichter bevolkt niemandsland. Het toont in de eerste plaats aan hoe moeilijk een natiestaat het heeft om in haar wetgeving een plek te voorzien voor een stabiel statuut van ‘het menselijke’ (1). Mensenrechten blijken niet universeel te zijn maar feitelijk het bezit van staatsburgers. De transit-migranten tonen dit vandaag opnieuw aan door te weigeren zich tot de Belgische staat te richten maar hier simpelweg wel te zijn. In onze Europese steden dwalen tienduizenden mensen zonder papieren rond. Sommige politici willen ons doen geloven dat een eenvoudige ‘versterking’ van de staat en een versterkte toepassing van zijn wetten voldoende zijn om dat niemandsland te laten verdwijnen. Ik vrees dat dit niet alleen een illusie is maar vooral ook getuigt van al dan niet bewuste politieke simplificatie. Daarmee pleit ik niet voor wetteloosheid maar voor een reality check. Misschien ziet die realiteit er in Dendermonde nog enigszins anders uit dan in Brussel maar maak u ook daar geen illusies, het niemandsland omringt ons allemaal.

Het beeld van de ‘sterke staat’ is in deze tijden van globalisering en economisering eerder lachwekkend. Macht en politiek groeien al een tijdje uit elkaar. De macht stijgt sinds de jaren tachtig op naar een soort extraterritoriaal gebied vol met global economic players. Het politieke lekte dan weer naar het onderliggende niveau van de life politics met een hyperactieve maar minder stabiele en snel fluctuerende civiele samenleving als gevolg. In het midden daarvan zoekt de natiestaat amechtig naar handelingsperspectief. Ik vrees dat de natiestaat zowel naar boven als naar beneden aangewezen is op onderhandelingen. Zoals ze verplicht is dat te doen met General Motors, Ford of vorige week nog Carrefour, zo zou ze dat beter ook overwegen met de georganiseerde civiele samenleving.

Die relatie tussen overheid en de georganiseerde civiele samenleving staat al sinds het begin van de neoliberale revolutie midden de jaren tachtig onder grote druk. Het typische Belgische verzuilde ‘middenveld’ werd aangepakt en dat duurt vandaag nog steeds voort. De voorbije dagen kwamen er stevige statements van politici over de rol van dat middenveld. Maar de relatie is het voorbije decennium vooral complexer geworden. Het zwaar gewonde klassieke middenveld werd aangevuld met steeds meer bottom up burgerinitiatieven. Vooral in de grote steden manifesteerde zich een nieuwe, weliswaar minder stabiele, maar bijzonder actieve (activistische?) civil society. Ook de culturele wereld heeft de voorbije twintig jaar haar klassiek verzuilde middenveldpositie deels geruild voor een actieve en flexibele plek binnen die nieuwe grootstedelijke civil society. De snelheid en de kracht waarmee burgers zich organiseren kan alleen verklaard worden vanuit urgentie. De grootstedelijke complexiteit ontglipt aan de klassieke verticale overheidsaanpak en vraagt om een meer horizontale, genetwerkte aanpak. Eén domein waarin dat heel duidelijk zichtbaar wordt is precies het hogergenoemde niemandsland tussen burgerrechten en universele mensenrechten. De civiele samenleving neemt steeds meer de rol op om in dat niemandsland toch voorzieningen te treffen. Akkoord, ze doorbreekt daarmee de heersende orde en samenhang en legt verbindingen voorbij het punt waarop ieder levend wezen tot een gecontroleerd en beheersbaar subject wordt herleid (2). Maar ze doet dat niet om zich boven de wet te plaatsen maar net om de rechtsstaat bij te springen waar die op z’n eigen onvermogen stuit.

Vaak, niet altijd, komen die civiel georganiseerde activiteiten in het niemandsland voort uit een zorgfunctie die wel past in de heersende orde. Ook bij Globe Aroma is dat zo. Zij eisen niet expliciet een rol in het niemandsland op maar worden vanuit hun werk met ‘officiële’ asielzoekers en nieuwkomers geconfronteerd met het extreme precariaat dat in de tussenruimte ontstaat. Het is op zo’n moment onmogelijk en onmenselijk om een onderscheid te maken tussen nieuwkomers met en zonder papieren. Culturele, socio-culturele, sociale, sport-, jeugd-, gezondheids-, en educatieve organisaties onderhandelen vandaag al met subsidiegevers en andere partners over een statuut waaruit een geloofwaardigheid en vertrouwenspositie groeit die hen impliciet toelaat een stap in het niemandsland te zetten. Nogal wat overheden, meestal lokale, zijn hiervan op de hoogte en erkennen het humanitaire belang van die activiteiten in de ‘grijze zone’. Maar voor de federale overheid, op dit ogenblik geleid door een regering die kiest voor een ‘sterke staat’ en vooral ook het duidelijk zichtbaar maken ervan, blijken die activiteiten moeilijk aanvaardbaar. Ik denk echter dat onderhandelen ook voor hen de enige reële optie is. De politieke civiele energie is in Brussel hoger dan ooit. Burgers zijn niet de door emotie overmande individuen die het zicht op het algemeen belang verliezen. Nee, ze tonen duidelijk aan dat hun zicht op het algemeen belang niet vertroebeld wordt door emotie maar extreem helder is door de werkelijkheid die hen dagdagelijks in het gezicht staart.

Guy Gypens
Algemeen directeur Kaaitheater

 

(1) Giorgio Agamben, Beyond Human Rights, 1993
(2) Marc Schuilenburg, The Refugee as Homo Sacer, Open 2008, nr. 15