Door niet-handelen iets teweeg brengen

David Weber-Krebs in gesprek met Esther Severi (Kaaitheater)

 

Van David Weber-Krebs waren al verschillende voorstellingen te zien in het Kaaitheater, onder meer Balthazar (2013), Into the Big World (2015) en Tonight, Lights Out! (2016). Zijn werk brengt op een bijzondere manier diepe complexiteit en messcherpe helderheid samen. In telkens andere vormen en voorstellen speelt hij, als rode draad door zijn oeuvre, met de verwachting en het handelingsvermogen van het publiek. In zijn nieuwe voorstelling The Guardians of Sleep werkt hij rond slaap. Niet zozeer als onderwerp van de voorstelling, maar als handeling die plaatsvindt op scène. Maar hoe breng je de passieve slaap in een kunstvorm als theater, waarin aanwezigheid, communicatie en expressie nog steeds basisprincipes zijn?

Hoe kwam je bij het idee om in The Guardians of Sleep rond slaap te werken?   

David Weber-Krebs: Fundamenteel benader ik de theatersituatie als een sensitieve interactie tussen wat er op het podium gebeurt en wat er op de tribune gebeurt. Ik ben geïnteresseerd in de porositeit van die grens. Er moet iets op het spel staan. In het boek 24/7 van Jonathan Crary, las ik over slaap als laatste menselijke handeling die niet gekoloniseerd is door het kapitalisme – omdat je slapend niets produceert of consumeert. Dat maakt het een heel kostbaar en precair gegeven, dat automatisch een fragiliteit in zich draagt. Het leek me interessant om de redenering van Crary om te draaien en te kijken wat je dan wel ‘produceert’ als je slapende mensen op het toneel zet. Zou er dan een gevoel van verantwoordelijkheid of zorg ontstaan in het publiek?

De voorstelling bestaat uit verschillende delen. Het slapen is iets waar we geleidelijk naartoe evolueren. Eerst zijn de performers actieve ‘storytellers’ en wijden ze het publiek in, in beelden en vertellingen uit hun leven.

Wat hebben die persoonlijke verhalen aan het begin dan te maken met hoe de voorstelling verder verloopt?

DWK: Het doet een zekere intimiteit ontstaan tussen performer en kijker. Als iemand zich als verteller tot jou gericht heeft en zich dan zwijgend voor je neerlegt, blijf je in verschillende opzichten ‘dicht bij’ die persoon. In wat daarop volgt komen die beelden en verhalen terug als een gezamelijke herinnering.

De performers zijn net liggende sculpturen – maar sculpturen die je aankijken. En dan sluiten ze hun ogen. Jij bent het laatste beeld dat ze meenemen in hun slaap. Misschien ga je wel een rol spelen in hun gedachtes of dromen, net zoals hun beelden in jouw hoofd blijven verschijnen. Die dingen zijn mogelijk, maar je kan nooit echt weten of het gebeurt. Als iemand zijn of haar ogen sluit en mentaal ‘verdwijnt’, heb je geen toegang tot dat domein.

Je werkt op scène met elementen die een aura van echtheid uitstralen, maar evengoed een constructie kunnen zijn: persoonlijke verhalen en in slaap vallende lichamen. Speelt die dunne lijn tussen fictie en nonfictie een rol in de voorstelling?

DWK: Wat ik merk is dat je bij het opzet van deze voorstelling snel uitkomt bij de vraag of het allemaal authentiek is. Hoewel ik denk dat je in de voorstelling zelf kan voelen wat geconstrueerd is en wat niet. Theater is op zich een ruimte voor fictie, en net die fictie biedt ons een zekere veiligheid. We zijn dan geen voyeurs als we naar het privéleven van een ander kijken of als we lang naar een slapend lichaam kijken. Het gaat immers niet om de letterlijke situatie, maar om wat er in die gezamenlijke ruimte aan het gebeuren is. In tegenstelling tot post-humanistisch theater, geldt in humanistisch theater de afspraak dat een performer zich uitdrukt voor een publiek. Maar in deze voorstelling ontsnapt de performer daaraan: hij of zij sluit de ogen en onttrekt zich – letterlijk. Zoiets heeft onvermijdelijk gevolgen voor het publiek.  

Hoe gaat het publiek zich dan gedragen? 

DWK: De voorstelling vertrekt vanuit de klassieke posities van performer en kijker, waarbij beide groepen hun eigen plek hebben. Maar gaandeweg verliest het publiek als groep zijn vorm. Wat overblijft is een verzameling van lichamen die zich niet meer in een actief kijkende positie bevinden, maar zich – net als de performers – ‘onttrokken’ hebben van de performance situatie. Er ontstaat dan een gemeenschap die elke verwachting heeft laten varen. Maar omdat dit proces zo sensitief is, blijft er een spanning voelbaar in de ruimte.

Ondanks – of net door – het wegvallen van de afspraak tussen kijker en performer, komt er een andere afspraak van het theater naar boven drijven. Die van de voorstelling als een moment van gedeelde tijd en ruimte, waarin je als groep samen iets ervaart. Was dat waar je met het zoeken naar fragiliteit bij wilde uitkomen?

DWK: Donna Haraway spreekt over ‘response-ability’ voor wat ze ‘een praktijk van zorg en respons’ noemt tussen all soorten agenten – mensen, dingen, dieren, de hemel… Dit treft precies datgene waarnaar ik op zoek was. Ik wilde zichtbaar en voelbaar maken dat we in het theater dezelfde lucht delen in dat moment en die ruimte. Om te komen tot het besef dat elke aanwezige een rol speelt in die tijdelijke gemeenschap – en dat een zekere onderhandeling noodzakelijk is. In The Guardians of Sleep groeit dat idee naarmate de voorstelling vordert. De concentratie van de lichamen en het feit dat ze gaandeweg niet meer bewegen en in slaap vallen, of het tenminste proberen, dwingt sensitiviteit af. Zo ontstaat er een spanning die elke beweging belangrijk maakt, zelfs bijna elke ademhaling. Gaandeweg komt alles tot stilstand. Dit genereert iets nieuws. Het verandert je manier van in die ruimte te zijn en je kijken: je bent een lichaam, omringd door andere lichaamen.

Wie zijn dan de precies die ‘guardians’ of bewakers van slaap?

DWK: In zekere zin ‘waakt’ het publiek over de slapende performers, en dat schept een verantwoordelijkheid. Maar de perfomers blijven evenzeer verantwoordelijk voor de situatie die er ontstaat: ze blijven – ook als ze zich onttrokken hebben – stilte produceren.

Het idee van verantwoordelijkheid speelt in mijn voorstellingen vaker een rol. In Tonight, Lights Out! bijvoorbeeld, waarin iedereen in het publiek een lichtknop in handen krijgt die verbonden is aan één brandend peertje. Met als opzet: samen een volledige black-out creëren. Wat er zich afspeelt, ligt volledig in handen van het publiek en de groepsdynamiek die ontstaat. Of in Balthazar, waarin een ezel vrij op scène staat, samen met een groep performers. Wanneer het publiek geluid maakte reageerde de ezel daarop, zodat de performers opnieuw zijn aandacht moesten trekken. De ezel zelf maakt immers geen onderscheid tussen performers en toeschouwers. Ik zie theater dus vooral als een situatie die je uiteindelijk allemaal samen vormgeeft.

In The Guardians of Sleep geef je ruimte aan slaap op een moment waarin slaap eigenlijk niet op z’n plaats is. Niet dat je als toeschouwer bijvoorbeeld nooit eens in slaap valt in het theater, maar de expliciete keuze ervoor op scène voelt heel tegendraads. In de aankondiging van de voorstelling spreek je zelf over verzet en ongehoorzaamheid. Heeft slaap, als laatste anti-kapitalistische handeling, voor jou een activistisch potentieel?

DWK: In het maakproces van de voorstelling kwamen we uit bij een tekst die ging over een apathie-syndroom bij migrantenkinderen in Zweden. Kinderen van gezinnen die teruggestuurd zouden worden vielen in een diepe slaap – haast coma – als reactie op die vreselijke uitkomst. Het lange wachten op een antwoord en het vooruitzicht te moeten breken met hun omgeving deed hun letterlijk verlammen. Bij sommige van die kinderen kon dat maanden of zelfs jaren duren. Het fenomeen werd in Zweden beschreven en aangeklaagd door tal van dokters en psychiaters. De tekst spreekt over een jongen van Tsjetjeense afkomst, die door wat er met hem gebeurt uiteindelijk toch met zijn gezin in Zweden kan blijven. Door niet-handelen, door te slapen, brengt hij iets teweeg.

Slaap is een heel krachtig element, omdat het veiligheid thematiseert. Je kan alleen maar slapen als je veilig bent. De Tsjetsjeense jongen beschreef achteraf dat het voelde alsof hij in een glazen doos zat, en niet durfde bewegen uit angst de cocon te doorbreken. In de theaterruimte is slaap ook zo’n anti-handeling. Het wijst op een taboe of een breuk: de performer keert zich in zichzelf, in plaats van expressief te zijn. We zien hoe hij of zij zich terugtrekt in een dimensie waar wij geen grip op hebben. Maar we worden wel in die sfeer meegetrokken en deelgenoot van een ervaring.

Je voorstelling heeft een bepaalde duur, met een begin en een einde. Nodigt een anti-handeling als slaap niet uit tot een langere beleving? Tot het maken van een voorstelling met een ‘open einde’ – zoals bij Tonight, Lights Out! – waar ieder op eigen tempo beslist wanneer het stopt?

DWK: Het is belangrijk voor mij dat je naar buiten gaat met het gevoel dat je een theatervoorstelling hebt meegemaakt van begin tot einde. Dat je net door die gebalde concentratie beseft dat je samen iets gedaan hebt. Na de première in Mannheim zei iemand me dat er een sterk gevoel van solidariteit ontstaat in de voorstelling. Dat gevoel kan je misschien enkel behouden als je als groep ook samen afsluit en die ervaring beperkt in tijd.

 

Kijk verder

David Weber-Krebs

The Guardians of Sleep

performance

The Guardians of Sleep
The Guardians of Sleep

productie

vr 15.12 - za 16.12.17

Wat gebeurt er precies wanneer we in slaap vallen? Wat betekent het om als toeschouwer in een theaterzaal te kijken naar het in slaap vallen van anderen, om getuige te zijn van die zo intieme handeling? The Guardians of Sleep is een collectieve poging tot terugtrekking in een wereld die altijd ‘aan’ lijkt te staan – waar de uitknop eenvoudigweg niet lijkt te bestaan.