Speech van Guy Gypens bij 40 jaar Kaaitheater

There is no translation available in your language.

Dames en heren, beste vrienden, geachte heer Minister,

40 jaar Kaaitheater dus. 40, dat klinkt als een volwassen leeftijd. En volwassen zijn in deze tijd van eeuwig jong en nieuw, nieuw, nieuw is geen sinecure. De Amerikaanse filosofe Susan Neiman zei over volwassen worden dat ‘het moet gaan om een plek tussen ideaal en werkelijkheid in. Een plek waarin de werkelijkheid niet simpel waar te nemen valt, waar idealen niet makkelijk bereikbaar zijn maar geduld en grote tolerantie voor frustratie eisen’. Ze verdedigt een volwassen idealisme dat zijn ogen niet sluit voor hoe de wereld is en ons bepaalt, maar dat zichzelf toelaat ervan weg te kijken in de richting van nieuwe mogelijkheden.

In 1977 waren dat soort existentiële afwegingen die met volwassenheid gepaard gaan nog lang geen zorg voor de pioniers die op het punt stonden het Kaaitheater uit de grond te stampen. De directe aanleiding was de 100ste verjaardag van de KVS. Men wilde dat vieren met een herneming van De Brusselse Straatzanger, een theaterstuk van de hand van Julius Hoste uit 1883. Maar er waren in Brussel mensen die vonden dat zo’n 100ste verjaardag toch iets meer mocht zijn. Eén van die mensen was Hugo De Greef, toen losse medewerker van de Beursschouwburg. Hij stelde voor om in een tent achter de KVS een festival te organiseren en het nieuwe theater dat hij her en der in Europa had gezien, uit te nodigen. Het ongenoegen over het geïnstitutionaliseerde theaterlandschap was eind jaren zeventig trouwens in heel Vlaanderen groot. Iemand formuleerde het als volgt: “Theater houdt in dit land verband met gewrichtsontsteking in die zin dat een stram lichaam vaak de enige gewaarwording is die na een avond toneelgenot doorzindert”. Het Kaaitheaterfestival moest dus een medicijn tegen gewrichtsontsteking zijn.

Na vijf edities besloot De Greef dat het festival als medicijn zijn werk had gedaan en dat het tijd werd om een seizoenswerking uit te bouwen met als fundament de lokale kunstenaars die zich tussen 1977 en 1987 hadden gemanifesteerd binnen het productiehuis Schaamte. En dat waren niet van de minste: Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Lauwers, Jan Fabre, Josse De Pauw, enzovoort. Vijf seizoenen later werd het theater waar we nu zitten, toen nog het Lunatheater, de thuisbasis. Toen al, n.a.v. de vijftiende verjaardag – de adolescentie dus -, reflecteerde dramaturge Marianne Van Kerkhoven over die stap naar een ‘eigen, groot theater’ als een stap naar volwassenheid en de gevaren en uitdagingen die dat inhield. De verhuis naar het Lunatheater had inderdaad grote consequenties voor de werking. Het geld voor een volwaardige combinatie van productie en presentatie op grotere schaal kwam er niet en dat was de voornaamste reden waarom De Greef vijf jaar later opstapte. Hugo Vanden Driessche, Johan Reyniers en Agna Smisdom namen de directie en de artistieke leiding over en niet toevallig was de titel van hun eerste beleidsnota: 'Over vernieuwing en continuïteit'.

Maar de lifecycle van een organisatie staat natuurlijk niet los van de wereld waarin ze opgroeit. In de veertig jaar die sinds 1977 voorbij gingen, is de wereld fundamenteel veranderd. Het midden van de jaren zeventig markeerde het einde van Les Trentes Glorieuses. De dertig glorieuze jaren na de Tweede Wereldoorlog waarin met veel succes vormgegeven werd aan de Europese verzorgingsstaten én de Europese unie. Toen in de jaren zeventig de economische onderbouw voor dit model, mede door de oliecrisissen, onder grote druk kwam te staan, brak een lange periode van globale deregulering aan en van een machtsoverdracht van het politieke naar het economische.

Ook in de theaterkunst werd in die jaren zeventig de overstap gemaakt van een geloof in een te bevatten en te bemeesteren geheel naar het zich bezighouden met aparte stukjes en fragmenten. Het was aan het publiek om met die fragmenten eigen gehelen te maken. Het was in dat postmodernisme dat de jonge garde van het Kaaitheater zich thuis voelde. Maar door de ongepaste Westerse euforie en frivoliteit na de val van de Berlijnse muur in 1989, de steeds gewelddadiger clash tussen Jihad en McWorld zoals Benjamin Barber het ooit noemde, de almaar scherper voelbare ecologische crisis en door de economische systeemcrash van 2007 en 2008, werd de roep om een hereniging van macht en politiek steeds luider.

In de kunst manifesteerde zich al een tijdje een nieuwe generatie die de bui zag hangen en geen genoegen meer nam met de postmoderne fragmentatie en zelf opnieuw op zoek wou naar een nieuw rechtvaardig en duurzaam geheel. Maar hoe dat moest, binnen welke kaders en vooral hoe het gecombineerd moest worden met de inspirerende vormvernieuwing, de verworven individuele emancipatie en de ontwikkelde vrijheidsbehoefte van de voorbije periode was minder duidelijk. Het was op dat moment dat Katleen Van Langendonck en ikzelf aan ons hoofdstuk uit de Kaaitheatergeschiedenis begonnen.

Wat dramaturge Marianne Van Kerkhoven ooit de grote dramaturgie noemde, trad bij ons door die maatschappelijke aardverschuivingen meer en meer op de voorgrond. Hoe geeft kunst gestalte aan zijn maatschappelijke functie? Maar ook: hoe kan een kunstinstelling mét, maar ook naast zijn kunstenaars, mee antwoorden zoeken op de vraag hoe we vandaag de wereld moeten lezen? Wat is de plaats van de kunst ten overstaan van de grote systemische kwesties van onze tijd: de spanning tussen het globale en het lokale, de genderongelijkheid, de verwoestende impact van de mens op zijn eigen leefomgeving, de uitdaging om in de hedendaagse kosmopolitische stad samen te leven op basis van cultureel verschil.

Marianne schreef ooit een tekst met als titel De Paradox van Dr. Hinckfuss. Dr. Hinckfuss is een personage uit een stuk van Pirandello. In zijn eerste grote monoloog zegt Hinckfuss: “Het leven moet tegelijk aan twee tegengestelde voorwaarden voldoen: het moet in beweging zijn en het moet in stand blijven.” Maar wat zetten we wanneer in beweging? Wat wrikken we wanneer los? Wat laten we intact en voor hoe lang? Continuïteit en vernieuwing. Volwassen idealisme. Hoe de wereld zien zoals hij is en toch ook de blik blijven richten op hoe hij zou moeten en kunnen zijn? Volwassen worden is voorwaar niet eenvoudig. En als we naar de politici kijken die recent her en der aan de macht zijn gekomen, dan is die volwassen houding verder weg dan ooit.

Het Kaaitheater is een huis waarin verschillende generaties van kunstenaars samen werken en waarin hun werk naast elkaar wordt getoond: eighties, nineties,  noughties en teenies. In deze verjaardagsweek organiseren we onder de noemer Radio Etoile gesprekken tussen die generaties. Niet om ze kunstmatig tegenover elkaar te plaatsen, niet om te bespreken wie voor wie plaats zou moeten maken, maar om te kijken hoe ze samen kunnen denken over wat de moeite waard is om nog wat langer te behouden en over wat noodzakelijkerwijze en hoogdringend moet veranderd worden. Wanneer vervelt traditie tot sclerose, tot bureaucratie en tot vervreemding? Maar ook: wanneer belet constante vernieuwing de noodzakelijke verdieping?

40 jaar worden! Als ik zo rondkijk in de zaal dat zie ik dat er nogal wat volk zit dat ervaring heeft met zo’n veertigste verjaardag. Toen ik zelf veertig werd, kreeg ik ook van die kaartjes met Life begins at forty. Ik heb er nooit in geloofd. Life begins at zero! En wanneer het eindigt weten we niet. Als de minister zich afvraagt waar het na zulke geweldige, betekenisvolle veertig jaren nog naar toe kan met het Kaaitheater dan wil ik daaromtrent graag even ingaan op het voorstel dat hij eind augustus lanceerde om burgers te laten meebeslissen over een deel van de programmering in cultuurhuizen. Daarvoor zouden cultuurhuizen dan een deel van hun programmeringsbudget moeten reserveren.

Ik geef toe, mijn eerste reactie was, zoals die van velen in de sector, afwijzend. Maar zoals wel eens meer gebeurt als ik even de tijd neem om over iets na te denken, verander ik van gedacht. Ik vind het eigenlijk een fantastische voorzet. Ik neem aan dat u met dit voorstel niet nog meer achteloze consumptie op het oog hebt. Maar dat u doelt op de participatie van achtzame burgers. Dat u niet zit te azen op een soort van televoting waarbij de kijker mag kiezen tussen A Love Supreme van Anne Teresa De Keersmaeker of Stand Down van Jan Decorte. Nee, ik ga er van uit dat u op zoek bent naar een echt participatieproces waarbij de ontwikkeling van het burgerschap zelf centraal staat.

En die zoektocht begrijp ik zeer goed. Ik heb het al wel eens eerder gezegd maar naar mijn mening hebben politici en kunstenaars of kunstinstellingen hetzelfde probleem: ze gedijen niet in een gedepolitiseerde samenleving waar de achteloze consument het voor het zeggen heeft. Beiden hebben nood aan een herwaardering van ‘het politieke’, ‘het omstrijdbare’, kortom aan een herpolitisering. En dat betekent dus niet nog wat meer snel snel geformuleerde opinies. Nee, dat betekent in de eerste plaats de ontwikkeling van politieke vaardigheden, burgerschap dus. Het politieke begint na de opinie!

Maar burgerschap is vandaag geen evident begrip. Voor de burger was de natiestaat en het civilsatieproject dat daarmee samenhing de referentie. Maar in een wereld waar de macht is opgeschoven naar de global economic players en politiek zich verengt tot individuele life politics is die natiestaat stilaan een half leeg huis. De burger moet dus op zoek naar een andere referentie. De Koreaanse filosoof Byung Chul Han formuleerde het als volgt: 'Politics without reference is a referendum'. Laten we die waarschuwing combineren met uw voorstel. Kunstinstellingen die inclusief, met burgers, en daar horen ook kunstenaars bij, op zoek gaan naar gedeelde referenties om daarmee dan samen keuzes maken. Zoiets wordt vandaag ook wel een proces van commoning genoemd. Een proces waarbij stilaan de idee kan groeien dat kunst én kunstinstelling gemeengoed zijn, iets wat van ons allemaal is en waarvoor we gezamenlijk de verantwoordelijkheid nemen.

En net met dat soort processen van commoning zijn vandaag heel wat kunstenaars bezig. Christophe Meierhans, één van onze artists in residence, maakt het zelfs tot de kern van zijn werk. In zijn project Fondo Speculativo creëert Meierhans een fonds met een deel van de inkomsten uit ticketverkoop over een heel seizoen en hij vraagt aan de toeschouwers om een jaar lang een beslissingsproces vol te houden over de besteding van dat geld. Ik wil u niet naar de mond praten mijnheer de Minister - ik vrees trouwens dat ik het heel wat moeilijker heb gemaakt dan u het bedoeld had - maar ik hoop écht dat de sector deze voorzet niet afdoet als ‘u vraagt-wij draaien-nonsens’ maar als een opportuniteit om de grote nood aan inclusie, aan politisering, aan commoning in de samenleving van vandaag in de dagelijkse praktijk van de instellingen te integreren. In beschouw het als een idealistisch voorstel waarvoor we onze ogen niet mogen sluiten.

En om zo’n ideaal van een meer inclusieve kunstinstelling te realiseren, hebben wij een tijdje geleden ook de wens op tafel gelegd om het Kaaitheater, hier aan de Sainctelettesquare, grondig te transformeren. Reeds midden de jaren negentig, na het vertrek van de AB, formuleerde de toenmalige directie van het Kaaitheater de wens om het Lunatheater om te bouwen tot een volwaardige theaterinfrastructuur aangepast aan de noden van de tijd. De aanleiding voor Hugo Vanden Driessche en mezelf om die wens recent opnieuw op tafel te leggen was drieledig:

  1. De erfpachtovereenkomst tussen de eigenaar van het gebouw en de Vlaamse Gemeenschap werd verlengd tot 2052.
  2. Sinds de verbouwing van het theater begin jaren negentig zijn er nieuwe behoeften ontstaan op vlak van publieksonthaal, productieondersteuning, kantoorruimte en relaties met de directe stedelijke omgeving.
  3. Door een samenloop van beslissingen op verschillende beleidsniveaus is er een momentum ontstaan in de stedelijke context dat nieuwe relaties en opportuniteiten blootlegt waar het Kaaitheater kan op inspelen. Zo is er de aankoop van de Citroëngarage door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het publieke debat rond het museum in dit gebouw, de residentiële ontwikkelingen aan de Akenkaai, etc. Het Kaaitheater bevindt zich letterlijk middenin deze stedelijke dynamiek.

Maar de wens tot de transformatie van dit gebouw volgt niet enkel uit concrete noden en kansen, maar kadert ook in de inhoudelijke visie die het Kaaitheater uitdraagt. Het Kaaitheater profileert zich als een kunstenaarscentrum dat een centrale rol speelt in de kunstenaarsstad die Brussel de voorbije twintig jaar geworden is, maar ook als een plek waar de bijzondere dynamiek van de Brusselse civiele maatschappij inzake stedelijke ontwikkeling, sociaalecologische kwesties en interculturele actie onderdak vindt. Een plek voor artistieke productie en presentatie maar ook een plek die anderen zich kunnen toe-eigenen.

Wij zijn verheugd, meneer de Minister, dat u mee stapt in dit verhaal en dat u bereid bent om op basis van de studie die u vorig jaar bestelde bij het architectenbureau 51N4E de procedure op te starten tot het aanstellen van een architect om dan tot een definitief ontwerp te komen. Voorwaar een mooi verjaardagscadeau.

40 jaar Kaaitheater betekent ook en vooral 40 jaar Kaaitheatermedewerkers. Technici, administratieve en productiemedewerkers, communicatiemensen, onthaalmedewerkers, onderhoudspersoneel, artistieke medewerkers, bestuurders en kunstenaars; allemaal schreven ze mee aan het verhaal dat Kaaitheater heet. Deze Kaaitheaterfamilie belichaamt dat verhaal. In 2013 viel er een ongelooflijk belangrijk iemand weg uit die familie. Ik heb ze al enkele keren geciteerd: Marianne Van Kerkhoven. Marianne was gedurende 30 jaar de dramaturge van het Kaaitheater. Dat wil zeggen ze werkte als dramaturge samen met heel wat Kaaitheaterartiesten én ze werkte mee aan zoiets als de dramaturgie van het Kaaitheater als instelling. Ze verbond op haar eigen unieke manier de kleine dramaturgie met de grote dramaturgie. Ze kon niet anders. Marianne was altijd op zoek naar het handelingsperspectief van de kunstenaar én het handelingsperspectief van de kunst in de wereld. Het neon-kunstwerk van Tim Etchells boven onze toegangsdeuren All we have is words, all we have is worlds hebben we gekozen als adagium voor deze veertigste verjaardag en dat mag gerust als een eerbetoon aan Marianne worden beschouwd. Ze parafraseerde graag Hannah Arendt die ooit zei dat wereldloosheid altijd tot barbarij zou leiden. Woordeloosheid leidt tot wereldloosheid leidt tot barberij.

Dat Marianne voor heel wat jonge dramaturgen en schrijvers over theater en dans belangrijk is geweest, hoeft geen betoog. Haar teksten, gebundeld in het boek Van het Kijken en het Schrijven en gepubliceerd op de onvolprezen website van Sarma worden gretig gelezen en geplunderd door een jonge generatie. En dat wilde ze zelf boven alles: dat het werk zou verder gezet worden. Vandaag ben ik heel blij om twee initiatieven te kunnen aankondigen die het verder zetten van dat werk mee vorm zullen geven.

De huidige Kaaitheaterdramaturge Esther Severi, de Nederlandse dramaturge en theatermaakster Anouk Nuyens en Ronald Geerts van de VUB werken aan een boek over Mariannes praktijk. Daarnaast lanceren we vandaag de Marianne Van Kerkhoven-lezing. Elk seizoen zal het Kaaitheater iemand de opdracht geven om een stand van de dramaturgie op te maken. Een stand van de kleine én van de grote dramaturgie. Om deze reeks op te starten laten we Marianne nog één keer zelf aan het woord. Wat we hebben proberen te doen is eigenlijk onmogelijk: uit haar teksten een selectie maken van citaten die representatief zijn voor haar discours. Onmogelijk dus maar we hebben het toch geprobeerd. De citaten zullen zo dadelijk worden voorgelezen door drie artiesten waarmee Marianne intens heeft samengewerkt: Sara De Bosschere, Kris Verdonck en Pieter De Buysser. 

Tot slot nog dit. Ik reisde dit weekend naar Berlijn. Het voelde een beetje symbolisch aan om het te doen zo net voor die veertigste verjaardag. Het Kaaitheater en het Berlijnse Hebbeltheater, vandaag HAU, hebben voor een groot deel samen aan de weg getimmerd. Maar dit keer ging ik er o.a. op bezoek bij Chris Dercon. En dat bleek niet eenvoudig. De ontruiming van de Volksbühne na de bezetting van de voorbije weken was nog volop aan de gang. Het cordon policier was indrukwekkend. Dat hij überhaupt tijd voor mij kon maken om in die omstandigheden over iets totaal anders te praten, had ik niet verwacht. Maar het beeld buiten bleef heftig en frappant en ik bedacht me: wat is er écht veranderd sinds 1977? Zijn we in staat te leren uit de geschiedenis? In 1977 stond er een muur die ons belette de Volksbühne-am-Rosa- Luxemburg Platz binnen te stappen. De muur verdween maar dat weekend stond die er plots terug. Dit keer o.a. op vraag van het theater zelf. Maar een muur is een muur is een muur, toch?

Ik dank u.