VAN DE OORLOG IN SYRIË IS ER EEN OVERVLOED AAN BEELDEN, EN TOCH ZIEN WE NIET ZOVEEL

Het was bijna alsof we met z’n drieën op een terras zaten. Ik dronk thee, Waël Ali en Chrystèle Khodr staken zo nu en dan een nieuwe sigaret op. Alleen zaten er tussen elk van ons telkens duizenden kilometers. Sinds twee jaar werken beide kunstenaars samen. Afstand en de bijhorende vertraging maken deel uit van hun werkproces en dat ervaren ze lang niet enkel op een negatieve manier. Tijdens Moussem Cities: Damascus presenteren ze hun eerste twee werken: Temporary Stay en I once entered a garden.

Het valt op dat de twee werken die jullie brengen tijdens Moussem Cities: Damascus, vertrekken van een heel specifieke en intieme momenten.

CK: Ik denk dat veel artiesten uitgaan van heel persoonlijke vragen. Aan de basis van Temporary Stay ligt een cassette die ik twintig jaar geleden bij mijn moeder vond. Mijn oom had deze cassette in 1976 uit Zweden opgestuurd naar mijn vader in Beiroet. Het was de eerste keer dat hij van zich liet horen sinds hij samen met zijn vrouw en zijn twee kinderen de oorlog ontvlucht was. In 2015, toen we elkaar nog maar kort kenden, had Waël mijn voorstelling Beyrouth Sépia op het festival Sens Interdits in Lyon gezien, terwijl ik zijn stuk Je ne m’en souviens plus zag in Beiroet. Toen ik besliste om met deze cassette aan de slag te gaan, schreef ik hem aan. Ik wilde er wat mee doen, en wel samen met hem. Waël heeft een zekere terughoudendheid en bescheidenheid in zijn artistieke benadering, en ik wist dat ik hem dit persoonlijke verhaal kon toevertrouwen.

De cassette is dus inderdaad persoonlijk, maar daarom is ze nog niet zo intiem. Tijdens de oorlog in Libanon stuurden mensen elkaar vaak audiocassettes toe waarop ze nieuws hadden ingesproken. Het was een verbinding tussen diegenen die ter plaatse bleven, en de anderen die geïmmigreerd waren. We hebben allemaal bijzondere banden met ons verleden, en we hebben ons op de één of de andere manier allemaal wel eens verplaatst. Door onze samenwerking in dit project kreeg het verhaal van de cassette een andere dimensie. Het onderzoek spitste zich vooral toe op vragen over het theater: hoe kun je vandaag theater maken? En hoe verenig je de beschouwingen van twee personen die deze geschiedenis op een heel andere manier beleefd hebben, omdat ze een heel ander persoonlijk en politiek verleden hebben?

Wat betekent deze cassette voor jou, Waël?

WA: Toen ik de cassette voor het eerst beluisterde, boeide ze me meteen, en wel om verschillende redenen. Ze herinnert me aan een ver verleden, een tijd waarin het beeld niet het belangrijkste was. In de jaren 80, toen we klein waren, luisterden we vaker naar radiozenders dan dat we televisie keken. Bovendien is het verhaal tegelijk heel bijzonder en alledaags. In Libanon maakten de migranten die tijdens de burgeroorlog waren vertrokken, opnames van hun stem om nieuws over te brengen. Ten slotte contrasteert het gebruik van audio met de huidige oorlog, waar er een overvloed aan beelden is.

Van de oorlog in Syrië is er een overvloed aan beelden, en toch zien we niet zoveel. Het boeide me ook dat een actrice haar eigen geschiedenis wilde brengen. Daardoor werd het mogelijk om vragen te stellen bij de uitvoering en het acteerspel.

Een centrale vraag tijdens het creëren was hoe de echte, scenische aanwezigheid zich verhoudt tot de stemmen uit het verleden. In zekere zin stellen deze aanwezigheden elkaar in vraag en ‘besmetten’ ze elkaar.

Na de reflecties over het theater in Temporary Stay  werd jullie tweede samenwerking I once entered a garden geen theatervoorstelling, maar een installatie. Vloeit deze veranderde vorm voort uit het stellen van deze vragen?

CK: Niet noodzakelijk. I once entered a garden vertrekt vanuit de vragen die Bissane Al Charif, onze scenograaf voor Temporary Stay, zich stelt. Zij maakte eerder al twee installaties die eveneens uitgingen van persoonlijke thema’s: dat was zowel het geval in haar eerste stuk Mémoire(s) de femme, als in het tweede, Sham. Bissane stelt zich vragen bij onze verhouding tot ons lichaam in tijden van grote verandering en ballingschap. Hoe kunnen we uitdrukking geven aan onze eerste zintuiglijke ervaringen? Hoe kunnen we de herinneringen reconstrueren die verbonden zijn met ons lichaam, en dan vooral wanneer de plekken waar deze herinneringen gevormd zijn, niet meer toegankelijk zijn?

WA: De vorm van de installatie komt dus van Bissane, maar hij was bovendien ook het meest geschikt. Want hij maakt een intiemere of persoonlijkere band mogelijk tussen de toeschouwer, de ruimte en de verhalen. De toeschouwers ontdekken deze verhalen en gaan ermee in interactie.

In de installatie brengen jullie de lichamelijke vragen van Bissane naar een heel specifiek moment.

CK: Vanuit de vragen van Bissane gingen we op zoek naar een gemeenschappelijke taal waarmee we het onderwerp kunnen behandelen, en begonnen we interviews af te nemen van mensen van verschillende generaties. Deze gesprekken gingen over hun eerste seksuele en emotionele ervaringen. De getuigen kwamen uit buurlanden die verschillende oorlogen hadden doorgemaakt of bezet waren: Libanon, Syrië, Palestina en Irak. Deze band tussen de geschiedenis en de plaats was heel belangrijk. Denken we aan Bagdad in de jaren 80, dan denken we aan het embargo en traangas, maar niet aan een jongen in een groot huis die naar een sekslijn belt. De Iraakse getuige woonde in een enorm groot huis, met een telefoon in het salon. Zijn enige bezorgdheid was dus hoe hij erotische telefoongesprekken kon voeren terwijl iedereen in het salon langs hem heen liep! Zijn grote tragedie was dat hij de meisjes nooit zag, hij hoorde hen alleen aan de telefoon. Ook bij de Libanese getuige van 57 jaar is de plaats onvermijdelijk aanwezig. Ze vertelt: “In de tijd waarin het Israëlische leger Beiroet veroverde, in 82, heb ik de dood van dichtbij meegemaakt. In plaats van aan de oorlog te denken, dacht ik aan hoe ik seksuele relaties kon hebben zonder mijn maagdelijkheid te verliezen, in plaats van te genieten van het leven. Wat was ik stom!” De jongste getuige komt uit Syrië en haalt herinneringen op aan vredestijd. Ze probeert zich een laatste keer deze momenten van vrede eigen te maken. Ze beseft dat hoe verder de tijd voortschrijdt, hoe verder de mensen verwijderd zijn van oorlogstijd, hoe beter ze over hun lichaam kunnen spreken. Ze hoopt dat zij op een dag ook haar huis uit kan komen, de tuin ingaan, een sigaret opsteken en opnieuw vertrouwd kan worden met haar geschiedenis en haar lichaam.

Soms, als we het woord ‘oorlog’ in een zin gebruiken, dan zuigt dat woord ‘oorlog’ alles naar zich toe. Vreemd genoeg blijven deze intieme momenten in oorlogstijd bij I once entered a garden heel teder, zelfs al vinden ze plaats tijdens de Israëlische bezetting of de opeenvolgende oorlogen in Irak.

In deze installatie getuigen vooral vrouwen. Is dat een bewuste keuze, of was het gemakkelijker om aan hun verhalen te geraken? En waarom kozen jullie er toch voor om ook een man aan het woord te laten? 

CK: We hadden niet de intentie om alleen met vrouwelijke getuigen te werken. Na meerdere gesprekken met heel verschillende personen kozen we voor verhalen die op een heel gevoelige manier met elkaar verbonden zijn. We vonden het belangrijk om over de getuigenis te beschikken van een man die zijn jeugd beleefde in het begin van de jaren 90 in Bagdad. Luisteren we naar deze getuigenissen, dan worden we ons er al snel van bewust dat de sociale repressie op mannen en vrouwen werd uitgeoefend, weliswaar op verschillende manieren. Het gaat om repressie en censuur die in de eerste plaats op het lichaam worden uitgeoefend – of dat nu een vrouwen- of een mannenlichaam is. Op de plek waar ik vandaan kom, is het even moeilijk om een man of een vrouw te zijn.

Wat betekent het om de twee werken voor het eerst tegelijkertijd te tonen? En is er volgens jullie een verband tussen de werken?

CK: We hadden niet de intentie om twee werken te maken die elkaar weerspiegelen. Het zijn twee verschillende vormen, een theaterstuk en een installatie. Als er al continuïteit is, dan is dat doordat dezelfde mensen de twee projecten gemaakt hebben.

Het raakt me echt dat dat de twee werken de eerste keer gelijktijdig voorgesteld worden in het kader van Moussem Cities: Damascus. Ik ben blij dat we hebben kunnen samenwerken aan deze twee projecten, ondanks de geografische afstand die het werkproces een eigen ritme geeft, en soms ook vertraagt. We hebben een gemeenschappelijke artistieke taal gevonden die geschikt is voor onze vraagstukken en onze theaterpraktijk van vandaag.

De afstand vertraagt het werkproces, maar ik kan me voorstellen dat die ook meer tijd laat om na te denken over het werk.

WA: De traagheid laat ons toe om opnieuw stil te staan bij onze keuzes en beslissingen, om andere wegen uit te proberen en om teksten te maken die nadien weer uit elkaar gehaald worden! Maar de traagheid is ook een keuze. Met meerdere oorlogen die nu aan de gang zijn, is dit een periode waarin we op politiek, artistiek en menselijk vlak onze houvast kwijtraken. We willen niet te snel gaan, we willen wat afstand tot ons onderwerp en onze geschiedenis creëren.

Tot slot: we hadden het er eerder al over dat de twee werken getoond worden tijdens Moussem Cities, dat zijn aandacht dit jaar op de stad Damascus richt. Kunnen jullie zeggen wat deze stad voor jullie betekent of symboliseert?

WA: We werken niet letterlijk rond Damascus, maar de toestand en de geschiedenis van de stad worden wel weerspiegeld in de plaatsen en de verhalen waar we ons op richten. In Temporary Stay werkten we rond de geschiedenis van drie generaties van een geëmigreerde familie. Het verhaal begint aan het einde van de Eerste Wereldoorlog en gaat verder tot bij de actrice die het op het podium vertelt. Deze geschiedenis gaat ook over ons, over onze banden met onze geboortestad. Het hele team van het stuk is op het podium aanwezig, en flarden van onze geschiedenis worden weerspiegeld in deze tocht, via het onderzoek naar het theater en de onmogelijkheid om dit verhaal van verplaatsingen en zich herhalende breuken te vertellen.

 

 

Een gesprek met CHRYSTÈLE KHODR & WAËL ALI, door Eva Decaesstecker (Kaaitheater, november 2018). Vertaald door Lien Vanreusel.